De rechtbank oordeelt helder: wanneer een parkeerder handelt binnen de ‘redelijke termijn’, is de naheffingsaanslag onterecht opgelegd. Het bezwaar is in dat geval gegrond wegens onrechtmatigheid. Een gemeente kan zich vervolgens niet verschuilen achter de term ‘coulance’ om onder de proceskostenvergoeding uit te komen.
Een automobilist parkeerde zijn auto in Breda. Om 16:24 uur constateerde de heffingsambtenaar dat er geen parkeerbelasting was voldaan en legde direct een naheffingsaanslag op. Wat de controleur (of scanauto) op dat moment niet zag, was dat de parkeerder net bezig was met het aanmelden van de bezoekersvergunning. Vijf minuten later, om 16:29 uur, was de aanmelding voltooid. De gemachtigde van de automobilist maakte bezwaar. De heffingsambtenaar zag in dat er betaald was en vernietigde de naheffingsaanslag. Echter, de gemeente stelde dat dit gebeurde uit coulance. Volgens de heffingsambtenaar was de aanslag strikt genomen terecht – er was immers geen betaling op het moment van controleren – maar streken ze met de hand over het hart. Omdat de gemeente van mening was dat de vernietiging geen erkenning van schuld was, werd het verzoek om vergoeding van de proceskosten afgewezen. De gemachtigde van de parkeerder nam hier geen genoegen mee en ging in beroep om vast te laten stellen dat het bezwaar wel degelijk gegrond was wegens onrechtmatig handelen van de gemeente, en niet slechts gehonoreerd werd uit welwillendheid.
De Redelijke Termijn
Volgens de wet is parkeerbelasting verschuldigd direct bij aanvang van het parkeren. Echter, jurisprudentie van de Hoge Raad dicteert dat een parkeerder een redelijke termijn moet worden gegund voor uitvoeringshandelingen, zoals het lopen naar de automaat, het opstarten van een app of het inloggen. Of een bezwaar gegrond is, hangt volledig af van de invulling van deze termijn in de specifieke situatie:
- Onderbreking: Onderbreekt de parkeerder de handelingen om bijvoorbeeld te bellen of een boodschap te doen? Dan blijft de naheffingsaanslag in stand.
- Ononderbroken: Verricht de parkeerder de handelingen onverwijld en ononderbroken? Dan is de naheffingsaanslag per definitie onterecht.
In deze casus stelde de rechtbank vast dat er slechts vijf minuten zat tussen de constatering en de betaling. Gezien de omstandigheden valt dit binnen de redelijke termijn voor het verrichten van uitvoeringshandelingen. Er is dus juridisch gezien tijdig betaald.
Oordeel en gevolgen
De conclusie van de rechtbank is hard: de heffingsambtenaar heeft te snel gehandeld. Het opleggen van de aanslag was in strijd met het recht (de jurisprudentie over de redelijke termijn). De vernietiging van de aanslag is dus het directe gevolg van een gegrond bezwaar tegen een onrechtmatig besluit. De term ‘coulance’ is hier feitelijk onjuist en juridisch irrelevant. De gemeente had daarom moeten overgaan tot het vergoeden van de proceskosten.
Lessen voor de praktijk
Deze uitspraak maakt duidelijk hoe belangrijk het is dat gemeenten hun controleprocessen en de afhandeling van naheffingsaanslagen op de juiste wijze inrichten. Wanneer de heffingsambtenaar niet kan uitleggen hoe het controleproces plaatsvindt, of wanneer niet kan worden weerlegd dat de redelijke termijn is gerespecteerd, leidt dit direct tot een veroordeling in de proceskosten. Een duidelijke procesbeschrijving is onmisbaar. Daarnaast is een strikte nacontrole essentieel: is er kort na de scan alsnog betaald? Dan mag er geen aanslag volgen. In deze casus alleen al had een correcte procesinrichting de gemeente ruim € 1.150,- aan onnodige kosten kunnen besparen.